Christus, Koning van het Heelal
zondag 26 november 2023
Bezinning bij de lezingen
In deze donkere dagen voor Kerstmis is het goed om onszelf even tegen het licht te houden. Of om het licht van het evangelie even door ons heen te laten gaan. Op weg naar Kerstmis willen we ons laten gezeggen door de profeten van toen en van nu. Hun woorden willen we tot de onze maken. Meer nog: hun oproep tot omkering willen we niet naast ons neerleggen. Het is goed om ze in ons tot nieuw leven te laten komen. Zo mogen we nieuwe mensen worden, levend in het licht van vrede met onszelf, met elkaar en met God. In dit uur willen we bekennen, dat ons leven ook duisternis kent. We zijn niet die mensen, die duidelijk beeld zijn van God. Soms lijkt het alsof de Godsverduistering in ons werkelijkheid is geworden. Maar tegelijkertijd belijden we ook, dat we willen gaan leven in een nieuw licht. We nemen geen genoegen met onze duistere paden. We belijden, dat we meer en meer willen gelijken op dat kind van Bethlehem, geboren als een ster in een donkere nacht. Zijn licht wil opgaan in ons leven. Het stoot ons aan om mensen van licht te worden.
Auteur: pater Wim Holterman osfs
Eerste lezing
Ezechiël 34, 11-12.15-17
Zo spreekt God de Heer: ‘Ik zoek mijn kudde op en bezoek mijn eigen schapen. Zoals een herder omziet naar zijn kudde, en zich onder zijn schapen begeeft wanneer ze verstrooid zijn, zo zal Ik omzien naar mijn schapen en ze in veiligheid brengen, hoe ver ze ook afgedwaald zijn ten gevolge van mist en nevel. Ik zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze laten rusten’, spreekt God de Heer. ‘Het vermiste schaap ga Ik zoeken, het verdwaalde breng Ik terug, het gewonde verbind Ik, het zieke geef Ik weer kracht en het gezonde en sterke blijf Ik verzorgen. Ik zal ze laten weiden zoals het behoort. En gij, mijn schapen’, zo spreekt God de Heer, ‘Ik zal recht doen aan het ene dier tegenover het andere, tegenover ram en bok’.
Epistellezing
1 Korinthe 15, 20-26.28
Broeders en zusters, Christus is opgestaan uit de doden als eersteling van hen die ontslapen zijn. Want omdat door een mens de dood is gekomen, komt door een mens ook de opstanding van de doden. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus; vervolgens bij zijn komst zij die Christus toebehoren; daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen na alle heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. Want het is vastgesteld dat Hij het koningschap zal uitoefenen tot Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. En de laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood. En wanneer alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene, die het al aan Hem onderwierp. Dan zal God zijn alles in allen.
Evangelielezing
Mattheüs 25, 31-46
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaatsnemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan. En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en hebt Mij niet gekleed. Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.’