• Hoeven
  • Oud Gastel
  • Bosschenhoofd
  • Basiliek Oudenbosch
  • Basiliek Oudenbosch
  • Oud Gastel
  • Bosschenhoofd
 
 




link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook

Palmzondag

zondag 5 april 2020

Geloven doet leven

Bezinning bij de lezingen

Juichend en feestend begeleiden mensen Jezus naar zijn eindbestemming. Voor Hem geen eremedaille, wel een doornenkroon. Hij gaat niet hoog te paard, een ezel is genoeg. Hij wordt bejubeld om even later verguisd te worden. Als koning wordt Hij ingehaald om als slaaf weggevoerd te worden. Geweldloos, onmachtig, als minste der mensen, gaat Hij zijn laatste tocht. Jeruzalem, de stad van de vrede, drijft de eerste der mensen een zinloze dood in.

Deze man van Nazareth is ons een voorbeeld. Op de beste momenten in ons leven mogen we het kruis van lijden, van onmacht, niet vergeten. We mogen niet hen vergeten, die nu de weg naar Golgotha moeten gaan. In allen die gemarteld worden of gekleineerd of gevangen genomen gaat Jezus opnieuw zijn weg. Hij deelt in hun, in ons lijden. Hij sterft onze dood telkens weer. Hij is ons nabij bij het begin van het einde. Maar ons einde is ook een nieuw begin, dankzij Hem.

Auteur: pater Wim Holterman osfs

Evangelie van de intocht

Mattheüs 21, 1 - 11

Jezus en zijn leerlingen waren dicht bij Jeruzalem. Ze gingen de Olijfberg op aan de kant van Betfage. Toen stuurde Jezus twee van hen voor zich uit met de opdracht: ‘Ga naar het dorp, daar vóór jullie. Het eerste wat je er zult vinden is een ezelin die staat vastgebonden samen met een veulen. Maak die los en breng ze bij Mij. En als iemand er jullie iets over zegt, dan moet je antwoorden: De Heer heeft ze nodig, maar Hij zal ze gauw terugsturen.’ Dit gebeurde opdat zou uitkomen wat de profeet had gezegd: ‘Zeg aan de dochter van Sion: Kijk, jullie Koning komt naar jullie toe, vriendelijk en zittend op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.’De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. Ze brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels op en Hij ging erop zitten. Veel mensen uit het volk legden hun mantels neer op de weg. Anderen bedekten de weg met takjes die ze van de bomen hadden gesneden. De mensen kwamen dicht om Hem heen, en jubelden: ‘Hosanna, Zoon van David, Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer! Hosanna in den hoge!’ Toen Hij Jeruzalem binnentrok, werd de hele stad opgewonden. De mensen vroegen: ‘Wie is dat?’ Het volk antwoordde: ‘Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea’.

Eerste lezing

Jesaja 50, 4 - 7

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken: ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan en ik zal geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Epistellezing

Filippenzen 2, 6-11

Broeders en zusters, Hij, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

Evangelielezing

Mattheüs 27, 11 - 54

Toen Jezus voor Pontius Pilatus stond, vroeg deze gouverneur Hem: ‘Bent U de Koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘Het is, zoals u zegt’. Maar Hij gaf helemaal geen antwoord op de beschuldigingen die de hogepriesters en de oudsten tegen Hem uitspraken. Toen zei Pilatus tegen Hem: ‘Hoort U niet waarvan ze U allemaal beschuldigen?’ Maar Hij gaf geen enkel antwoord meer. Dat verbaasde de gouverneur heel erg. Het was gebruikelijk dat de gouverneur bij een feest één gevangene vrijliet. Het volk mocht hem uitkiezen. Er zat toen juist een berucht man gevangen. Hij heette Barabbas. Omdat de mensen nu toch bijeen waren, zei Pilatus tegen hen: ‘Wie zal ik voor jullie vrijlaten? Wie willen jullie: Barabbas of Jezus, die Christus wordt genoemd?’ Hij wist heel goed, dat ze Hem hadden overgeleverd, omdat ze jaloers waren. Tijdens de rechtszitting stuurde zijn vrouw hem een boodschap: ‘Houd je erbuiten. Die man is rechtvaardig. Vannacht heb ik in mijn droom veel leed gehad om Hem.’ Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over om te kiezen voor Barabbas en om Jezus te laten doden. De gouverneur vroeg nu opnieuw: ‘Wie van de twee moet ik volgens jullie vrijlaten?’ Ze zeiden: ‘Barabbas!’ Pilatus vroeg aan hen: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die Christus genoemd wordt?’ Allemaal riepen ze: ‘Kruisig Hem!’ Hij zei opnieuw: ‘Maar wat heeft Hij dan verkeerd gedaan?’ Zij schreeuwden nog harder: ‘Kruisig Hem!’ Pilatus merkte dat hij zo niet verder kwam. Het volk werd alleen maar onrustiger. Hij liet water brengen en voor de ogen van het volk waste hij zijn handen, terwijl hij zei: ‘Ik heb geen schuld aan het bloed van deze man. Zien jullie zelf maar wat je doet.’ Het volk riep: ‘Laat zijn bloed maar neerkomen op ons en op onze kinderen’. Toen gaf hij het volk zijn zin en liet Barabbas vrij. Maar Jezus liet hij geselen. Daarna gaf hij Hem over om gekruisigd te worden. Toen namen de soldaten van de gouverneur           Jezus mee naar het gerechtsgebouw. Ze haalden er de hele afdeling bij. Ze trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. Ze vlochten een doornenkrans, zetten die op zijn hoofd, gaven Hem een rietstok in zijn rechterhand, vielen voor Hem op de knieën en zeiden spottend: ‘Wees gegroet, Koning van de Joden!’ Ze spuwden op Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd. Nadat ze Hem zo bespot hadden, namen ze de mantel weer van Hem af, trokken Hem weer zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen. Bij het verlaten van de stad kwamen ze een zekere Simon tegen, een man uit Cyrene. Ze dwongen hem om het kruis van Jezus te dragen. Toen kwamen ze aan op de plaats die Golgota heet. Dat betekent: Schedelplaats. Daar lieten ze Hem wijn drinken die was vermengd met bittere kruiden. Hij proefde ervan, maar wilde niet drinken. Ze sloegen Hem aan het kruis en dobbelden om zijn kleren onder elkaar te verdelen. Ze bleven daar zitten om de wacht bij Hem te houden. Boven zijn hoofd hadden ze een opschrift bevestigd. Daarop stond de reden van zijn veroordeling: Dit is Jezus, de Koning van de Joden. Samen met Hem werden twee rovers gekruisigd, de één rechts, de andere links naast Hem. Voorbijgangers spotten met Hem en zeiden hoofdschuddend: ‘U daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, als U de Zoon van God bent, en kom van het kruis af!’ Ook de hogepriesters, de Schriftgeleerden en de oudsten spotten zo met Hem en zeiden: ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet. Als Hij toch de Koning van Israël is, dat Hij dan maar van het kruis afkomt, dan zullen wij in Hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld: dat Die Hem dan maar bevrijdt als Hij Hem zo goed vindt! Hij heeft toch gezegd: Ik ben de Zoon van God!’ Ook de rovers die met Hem waren gekruisigd beledigden Hem met hun spot. Vanaf het zesde tot aan het negende uur werd het duister over het hele land. Rond het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eli, Eli, lama sabachtani!’ Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Sommigen die erbij stonden en het hoorden, zeiden: ‘Hij roept om Elia’. Meteen haalde iemand van hen een spons, doopte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en wilde Hem ervan laten drinken. Maar anderen zeiden: ‘Niet doen! We willen eens zien of Elia Hem komt redden.’ Jezus slaakte opnieuw een luide kreet en gaf de geest. Op dat ogenblik scheurde het voorhangsel van de tempel middendoor. De aarde beefde. De rotsen spleten uiteen. De graven gingen open en de lichamen van veel gestorven, heilige mensen verrezen. Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen naar de heilige stad en verschenen daar aan veel mensen. De honderdman en de andere wachters bij Jezus zagen de aardbeving en wat er allemaal gebeurde en werden daardoor heel erg bang. Ze zeiden: ‘Werkelijk, Hij was de Zoon van God’.

 

God in fragmenten

1 Koningen 17, 17-24

Gezien worden


 

Postbus 174, 4730 AD Oudenbosch • Markt 59, 4731 HN Oudenbosch • (0165) 330 502 • info@bernardusparochie.nl      Website gerealiseerd door iMoose